Helse vakantie! Volgende keer beter met anti snurkbeugel

april 25, 2007

Beste mensen, Lees maar eens op weblogs van vakantiesites. Hoe vaak komt het niet voor dat je vakantie verknalt wordt door het gesnurk van manlief? Bij ons niet anders, maar wij hebben er iets op gevonden:

Snurken en apneu, klik hier voor de oplossing!

Vanaf de eerste nacht: in een woord GEWELDIG ! Ik wordt weer uitgerust wakker. Aangezien ik niet op de hoogte ben van wat ik ’s nachts allemaal uitspook en aan geluid produceer, vraag ik elke ochtend vol verwachting aan mijn vriendin of ze nog wakker heeft gelegen. Dit is gelukkig niet meer het geval. Deze oplossing zou ik voor elke snurker willen aanraden!

Groeten, A.C., Blokker


Andere behandelingen bij snurken en apneu (H.J. Remmelink 2003)

april 17, 2007

MRA is uitsluitend een geschikte behandeling voor dentate patiënten of patiënten bij wie MRA op een implantaatgedragen prothese kan worden gemaakt.

Diverse factoren kunnen op de slaapstoornissen van invloed zijn. Afwijkingen zoals neusseptumafwijkingen, neuspoliepen en hypertrofie van tonsillen en adenoïden kunnen de doorgankelijkheid van de luchtweg beperken. Variaties in de vorm van het gezicht, zoals hypoplasie van het middengezicht, mandibulaire retrognathie, een lang palatum molle, groot en laag geplaatst hyoïd en macroglossie, kunnen eveneens met een verminderde luchtpassage samenhangen. Het gebruik van alcohol en slaapmiddelen remt de activiteit van de spieren die de pharynx openhouden, met vernauwing van de luchtpassage als gevolg. Ook obesitas en roken hebben een nadelige invloed op de slaapstoornissen. Slapen op de rug vermindert de luchtpassage doordat de tong de pharynx afsluit. Erfelijke factoren spelen eveneens een rol bij het ontstaan van OSA (Holberg et al, 2000).  OSA wordt in verband gebracht met vermoeidheid en overmatige slaperigheid, systematische en pulmonale hypertensie, ischemische hartziekten en cerebrovasculaire aandoeningen. Met dank aan H.J. Remmelink  2003 uz-brussel-mra-artikel-remmelink-afb-ia.jpguz-brussel-mra-artikel-remmelink-afb-i.jpg 

uz-brussel-mra-artikel-remmelink-afb-ii.jpg 

BEHANDELING Mandibulaire repositieapparatuur (MRA) in een- en tweedelige apparaten. Naast MRA zijn er ook andere orale hulpmiddelen beschreven voor de behandeling van snurken en OSA. (Barthlen et al, 2000). ANDERE BEHANDELINGSMOGELIJKHEDEN (REVIEW 2003 H.J. REMMELINK) Er zijn talloze behandelingsmogelijkheden voor het verbeteren van de luchtpassage bij OSA-patiënten (tab. 2) (Tangugsorn et al, 1995). Bij de therapiekeuze spelen de diagnostische bevindingen uiteraard een grote rol. Een algemene richtlijn is om patiënten met minder ernstige gradaties van luchtwegobstructies voor minder ingrijpende behandelingen in aanmerking te laten komen (Moore, 2000). Bij veel patiënten zullen in eerste instantie gedragsmaatregelen, zoals gewichtsreductie, vermindering van het gebruik van alcohol en sedativa geïndiceerd zijn. Ook kan worden getracht om de slaaphouding te veranderen met hulpmiddelen, zoals een in het ruggedeelte van de pyjama ingenaaid golfballetje of speciale kussens. Doorgaans is het effect van dit soort behandelingen op lange termijn echter twijfelachtig (Sampol et al, 1998; Jokic et al, 1999). Hulpmiddelen om de neusvleugels te verwijden hebben bij OSA weinig succes (Schönhofer et al, 2000). Tonsillectomie en adenoïdectomie kunnen vooral bij kinderen met hypertrofische tonsillen en adenoïd geïndiceerd zijn. Tijdelijk worden ook wel geneesmiddelen zoals decongestiva voor het verbeteren van de neuspassage voorgeschreven. Een veelgebruikt hulpmiddel voor de behandeling van OSA is nasal-continuous positive airway pressure (nCPAP). Hierbij wordt ’s nachts via een neusmasker constant lucht toegevoerd. Deze behandeling gaat apneus weliswaar effectief tegen, maar veel patiënten kunnen nCPAP niet verdragen. Patiënten hebben minder bewegingsvrijheid, het masker is oncomfortabel en kan lekkages vertonen en het apparaat maakt lawaai. Bovendien hebben veel patiënten last van geïrriteerd neusslijmvlies en rhinitis (Brown, 2000). Hierdoor zijn de in de literatuur vermelde percentages patiënten die aan een behandeling met nCPAP meewerken (40-80%) veel lager dan die van patiënten die met MRA worden behandeld (53-90%) (Pancer et al, 1999; Schmidt-Nowara, 1999; Marklund, 2001; Metha et al, 2001; Tan et al, 2002). Naarmate de ernst van OSA geringer is zijn patiënten minder bereid aan nCPAP mee te werken. Vergelijkende onderzoeken geven aan dat het merendeel van de patiënten MRA boven nCPAP prefereert (Schmidt-Nowara, 1999). vulopalatofaryngoplastiek (UPPP) is een chirurgische behandeling die in het verleden vaak is toegepast om de faryngeale luchtweg te vergroten. De populariteit van deze ingreep is de laatste jaren echter aanzienlijk afgenomen omdat UPPP significant minder effectief is dan MRA (Wilhelmsson et al, 1999). Daar komt nog bij dat het effect van UPPP postoperatief na verloop van tijd progressief afneemt (Boot et al, 2000). Bovendien gaat UPPP gepaard met postoperatieve complicaties, zoals een droge keel, velofaryngeale insufficiëntie, hypernasaliteit, een hinderlijk gevoel bij slikken en onopgemerkte persisterende slaapapneus (Isberg et al, 1998; Hagart et al, 2000). Tegenwoordig wordt bij snurken en OSA ook wel gebruikgemaakt van laser-assisted uvulopalatoplastiek (Pribitkin et al, 1998). Over de langetermijneffecten ervan bij OSA is echter nog weinig bekend. Een andere chirurgische optie is het naar voren verplaatsen van de mandibula, de maxilla en het hyoïd. Deze behandelingsmogelijkheid wordt gewoonlijk toegepast indien andere behandelingen niet gelukt zijn. De succespercentages van deze osteotomieën bij OSA variëren van 33-90% (Bear en Priest, 1980; Riley et al, 2000). Indien uit klinisch onderzoek en analyse van röntgenschedelprofielopnamen blijkt dat de luchtpassage ter hoogte van de tongbasis erg smal is, wordt ook wel een tong(basis)reductie uitgevoerd (Powell et al, 1999). Ten slotte zijn er ook nog chirurgische behandelingen die in levensbedreigende situaties worden toegepast, zoals het aan de voorzijde van de onderkaak vasthechten van de tong (glossopexie) en tracheostomie (He et al, 1988; Faye-Lund et al, 1992).FOLLOW-UP Behandeling met MRA is niet altijd succesvol. Weliswaar resulteert behandeling bij 39-47% van alle OSA-patiënten in een AHI < 10 (Pancer et al, 1999; Lindman en Bondemark, 2001). Bij zo’n 5% van de patiënten leidt behandeling met MRA echter tot een verergering van OSA (George, 2001; Marklund, 2001). Na plaatsing van MRA moet bij iedere OSA-patiënt derhalve altijd polysomnografisch worden onderzocht of het apparaat in voldoende mate werkzaam is. Bovendien is in alle gevallen tandheelkundige nacontrole gewenst om na te gaan of het apparaat geen problemen voor het gebit, tandheelkundige voorzieningen en het kaakgewricht oplevert. Overigens is opvallend dat 10% van de OSA-patiënten die met MRA worden behandeld niet meer voor follow-up terugkomen (Pancer et al, 1999). Slechts de helft van de patiënten bij wie MRA geplaatst is, wil zich opnieuw polysomnografisch laten onderzoeken (Pancer et al, 1999; George 2001). Volgens de American Sleep Disorders Association is het gebruik van orale hulpmiddelen de ‘eerste-keus-therapie’ voor patiënten met primair snurken en milde obstructieve slaapapneu, bij wie gedragsmatige aanpassingen zoals gewichtsverlies of veranderde slaappositie onvoldoende effect hebben. Bovendien zijn orale hulpmiddelen geïndiceerd voor patiënten met matige tot ernstige OSA, die nCPAP niet kunnen verdragen of die geen geschikte kandidaat voor een chirurgische behandeling zijn (American Sleep Disorders Association, 1995). Tegenwoordig worden orale hulpmiddelen doorgaans als initiële behandeling toepast bij patiënten met een redelijk goed gebit, een gezond kaakgewricht en een AHI = 30 (Schmidt-Nowara, 1999). Ook patiënten met het upper airway resistance syndroom worden momenteel in eerst instantie vaak met MRA behandeld (Rose et al, 2000). Patiënten met een AHI > 30 en patiënten bij wie orale hulpmiddelen onvoldoende werkzaam zijn, worden met nCPAP behandeld. Chirurgische therapie wordt gereserveerd voor patiënten bij wie noch orale hulpmiddelen noch nCPAP succes hebben. MRA is uitsluitend een geschikte behandeling voor dentate patiënten of patiënten bij wie MRA op een implantaatgedragen prothese kan worden gemaakt. MRA is momenteel een geaccepteerde behandeling voor snurken, het upper airway resistance syndroom en OSA. De effectiviteit van MRA is door talloze wetenschappelijke onderzoeken overtuigend aangetoond. De voor- en nadelen van MRA zijn inmiddels in hoofdzaak bekend. De behandeling van OSA-patiënten dient in samenwerking met de longarts en de kno-arts te gebeuren. De heersende mening is dat pas met een MRA-behandeling dient te worden begonnen na tandheelkundig klinisch en röntgenologisch onderzoek en nadat er polysomnografisch een diagnose is vastgesteld. Het is wenselijk de patiënt voor een behandeling met MRA een informed consent te laten ondertekenen, waarin de nadelen en de bijwerkingen van de apparatuur vermeld staan. Na plaatsing van MRA is tandheelkundige nacontrole geïndiceerd. Bij OSA-patiënten moet polysomnografisch de effectiviteit van behandelingen met MRA worden nagegaan. (Met dank aan H.J. Remmelink  2003)


Ook snurken krijgt numerieke simulatie.

april 5, 2007

24 november 2006 door Delta 27, 14-09-2006

In steeds meer vakgebieden eist de Computersimulatie zijn rol op naast de theorie en het experiment. Nieuw is het rekenen aan medische toepassingen zoals de groei van zenuwcellen en de vorming van haarvaten, zo bleek tijdens de ‘Eccomas’-conferentie die vorige week plaatsvond in Egmond. Maar is de wereld wel numeriek genoeg om te vervatten in wiskundige modellen?
Arno Schrauwers: Waar een wiskundig modelleerder zich tegenwoordig al niet mee bezighoudt. “Apnoe is een extreem geval van snurken waarbij op een gegeven moment zelfs de adem kan stokken”, vertelt hoogleraar numerieke wiskunde prof.dr.ir. Piet Wesseling. “Je hebt daar te maken met gasstromen. En met elasticiteit van structuren. Eigenlijk speelt er hetzelfde als bij het geluid dat vliegtuigen produceren onder invloed van luchtstromen.” Dus kun je met een numerieke computersimulatie voorspellen of een therapie bij een bepaalde patiënt zal helpen of niet, stelt Wesseling vast.
 
Prof.dr.ir. P. Wesseling: “Dat er in de vliegtuig- en auto-industrie heel wat wordt afgesimuleerd, is inmiddels ook bij de grootste leken wel bekend. Maar intussen is er bijna geen vakgebied meer waar de computersimulatie ni‚t wordt gebruikt. Vorige week zaten er in het zonnige Egmond op de conferentie ‘Eccomas 2006′ (European Conference on Computational Methods in Applied Sciences) zo’n vijfhonderd conferentiegangers bij elkaar om te worden bijgepraat over de jongste vruchten van de computational engineering. En dat waren niet alleen numeriek wiskundigen, maar ook ‘civielers’, werktuigbouwkundigen en onderzoekers uit vele andere disciplines.
Een paar decennia geleden was dat wel anders. De opmars van de numerieke simulatie begon in de vliegtuigindustrie, bij het rekenen aan turbulentie en aan geluid. Zonder simulatie geen luchtvaart meer, stelt Wesseling zelfs, maar dat gaat prof.dr.ir.drs. Hester Bijl, hoogleraar aerodynamica bij de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, wat te ver. “Je zou nu nog steeds een vliegtuig kunnen bouwen zonder computersimulaties. Maar als je alles in windtunnels moet testen, wordt zo’n vliegtuig wel onbetaalbaar.

“Een voordeel van simulaties is dat je er meerdere kanten van een zaak mee kunt bestuderen”, constateert dr.ir. Kees Vuik van de afdeling numerieke wiskunde van de faculteit Electrotechniek, Wiskunde en Informatica. “Vroeger hield je je ¢f met stromingen, ¢f met sterkteleer bezig. Nu combineer je die dingen. Dat maakt simulatie aantrekkelijk voor nagenoeg alle vakgebieden.”

Volgens Vuik is de numerieke benadering zelfs zo ver ontwikkeld, dat zij naast de theoretische en de toegepaste tak de derde pijler onder veel vakgebieden is geworden. Behalve vliegtuigen stonden er bij Eccomas 2006 raketten, schepen, treinen, trams en auto’s op het programma. Er waren presentaties over verkeersstromen, ontploffingen, vervuilde rivieren en klotsende tanks, maar ook over de voortplanting van dimensie-verfrommelende zwaartekrachtgolven door de kosmos. En op medisch gebied had men het niet alleen over apnoe: ook was er aandacht voor trombose, aneurisma’s, het hart, het ademhalingssysteem en zelfs cochleaire implantaten voor doven.
Meer simuleren en minder testen, het motto van onder meer vliegtuigfabrikant Airbus, geldt dan ook wetenschapswijd. Wesseling: “Dat is niet het einde van alle experimenten, want een experiment kan je de weg wijzen naar een hypothese en daarmee leiden tot verbeterde modellen. Maar minder in het lab en meer op het scherm is wel de ontwikkeling.”
Simulatie kan niet alleen veel geld uitsparen doordat het experimenten overbodig maakt; je kunt er ook dingen mee doorrekenen waarvan je het niet in je hoofd haalt ze in het echt te doen, of die je nauwelijks informatie opleveren. “Een ramp, of de terugkeer van een bepaald ruimtevaartuig in de dampkring is niet in het echt te doen”, zegt Wesseling. “Daar kun je met simulatie mooie dingen doen. En het is niet goed mogelijk om via metingen te achterhalen wat er precies gebeurt in een verbrandingsmotor. Dan is computersimulatie eigenlijk de enige methode om het ontwerp te verbeteren.” Nadeel: je computer moet het natuurlijk wel kunnen behappen. Zo rekende Eric Chaput, chef computersimulatie bij Airbus, de Eccomas-conferentie vorige week voor dat de huidige computerkracht nog een factor honderdduizend tekort komt voor het simuleren van alle luchtstromingen rond een vliegtuig. “Het duurt nog zeker dertig jaar voor we de turbulente stroming rond een heel vliegtuig in een computer kunnen simuleren”, aldus Chaput. ” En dan moeten de ontwikkelaars van nieuwe, slimmere algoritmes meewerken, anders duurt het nog wel vijftig jaar.”
Er zitten meer adders onder het gras, want rekenkracht is ‚‚n, maar complexiteit is wat anders. Als de complexiteit sneller toeneemt dan je rekenkracht, schiet je er niks mee op. Wesseling wijst op de wat hij wat gekscherend betitelt als ‘de wet van Wirth’ (naar Niklaus Wirth, de ontwikkelaar van de programmeertaal Pascal, red.) Die zou ooit gezegd hebben (en zit daarmee Moore dwars): de programmatuur wordt sneller langzaam dan dat de computer sneller worden.
Erasmusbrug:
En er knaagt iets. Want hoe zit het met de relatie tussen werkelijkheid en simulatie? “Ik was een jaar of vijftien geleden op een congres in Oxford en daar hadden ze niet zoveel vertrouwen in de uitkomsten van allerlei stromingsmodellen”, vertelt Hester Bijl. “Maar dat is de laatste jaren flink verbeterd.” En ach, ook het experiment schiet soms tekort. Wesseling brengt in herinnering hoe het Waterloopkundig Laboratorium ter voorbereiding op de Deltawerken in zijn vestiging in de Noordoostpolder de provincie Zeeland op schaal had nagebouwd. “Daar heb je twee problemen: het ene is het schaalprobleem en het andere is de corioliskracht, de invloed van de draaiing van de aarde op de stromingen in het Zeeuwse. Met een schaalmodel kun je die niet goed nabootsen. Vandaag de dag zouden ze de computer gebruiken.”
Toch zul je je voortdurend moeten realiseren waar je mee bezig bent. Zei rector Fokkema bij zijn opening van Eccomas 2006 niet dat je er voor moest waken de virtuele wereld voor de werkelijke te houden? Een berucht voorbeeld van waar het fout ging, is het heen en weer wapperen van de Erasmusbrug onder invloed van een stevige wind. Aan die brug was ook gerekend, en toch ging het fout. Vuik: “Bij die berekeningen was de toestand bij een nat wegdek niet meegenomen. Dat had een gering effect, maar was bij bepaalde omstandigheden toch groot genoeg om de brug in beweging te zetten.”
Wesseling onderstreept dat de softwarepakketten die momenteel commercieel op de markt zijn niet door jan en alleman gebruikt kunnen worden. “Vaak denkt men dat als je er een slim jochie aan zet, je er ook wel komt. Een tijdje geleden liet de Amerikaanse organisatie van werktuigbouwers een aantal pakketten vergelijken door ze wat dingetjes te laten doorrekenen. Een voorbeeldje was uit te rekenen hoe een stroom een cilinder omspoelt. Een leek zou zeggen: dan hoef je maar een helft van de cilinder te nemen want de bovenste en de onderste helft zijn gelijk. Een ingenieur weet dat dat onzin is omdat je dan nooit de zogeheten wervelstraat van Karman kunt berekenen. Dat is een asymmetrisch stromingspatroon dat al aan het begin van de twintigste eeuw is geconstateerd. Dat weet een slim jongetje niet.”
Klimaatmodellen
Die beperking hebben wiskundig ingenieurs zelf overigens soms ook. Van turbulentie of elasticiteit is nog goed voorstelbaar dat je ermee aan het simuleren slaat. Maar als het gaat om apnoe, of de groei van zenuwcellen, waagt ook de wiskundige zich op compleet ander vakgebied waarvan hij geen verstand heeft. “Daarom is een goede samenwerking tussen de verschillende disciplines belangrijk”, zegt Hester Bijl. Maar het kan wel. “Bij het Centrum voor Wiskunde en Informatica in Amsterdam zijn ze op een gegeven moment bijvoorbeeld overgegaan van klimaatmodellen op biologische processen. Dan blijkt dat convectie in beide gevallen een belangrijke rol speelt. Het is helemaal niet zo gek om je als ingenieur op vreemd terrein te begeven. Er zijn altijd methodes te verzinnen om de uitkomsten van je simulaties te valideren.”
Klimaatmodellen? Maar is dat niet het grote voorbeeld waar het met de simulaties altijd mis gaat? Vuik zegt ook zo zijn twijfels te hebben over het klimaatmodel. “Dat model ritselt van de coëfficiënten. En co‰ffici‰nten zijn schattingen. Hoe goed zijn die? En welke effecten heb je nog niet te pakken?” Waarmee hij niet wil zeggen dat het broeikaseffect flauwekul is, maar dat je voorzichtig moet zijn met wat je wel en niet kan doen met simulatie. “Als je het hebt over het doorrekenen van de turbulente stroming rond een vliegtuig – zeg maar de numerieke windtunnel – dan staat eigenlijk alleen het gebrek aan rekenkracht volledig succes in de weg. De wiskunde kan in principe alles”, zegt hij kordaat.
Dat neemt niet weg dat het ook al niet echt goed gaat met zoiets relatief simpels als de weersvoorspelling. Het is volgens Wesseling zelfs nauwelijks mogelijk om hier in West-Europa, met zijn dynamische weertypes, zonder simulatie enigszins betrouwbare voorspellingen te doen van zo’n vijf, zes dagen vooruit. Daar loopt de simulatietechniek tegen zijn grenzen aan.
“Het berekenen van turbulenties rond de vleugel van een vliegtuig kan perfect, maar dynamische systemen zijn niet voorspelbaar”, zegt Wesseling. “Zelfs zoiets simpels als twee om elkaar draaiende hemellichamen, waarbij je een derde, kleine massa loodrecht op hun draaivlak laat vallen, heeft geen voorspelbare uitkomst voor het gedrag van die kleine massa. Dat heeft ook niks met complexiteit te maken maar met het dynamische karakter. Bij simulaties werk je wel met miljoenen onbekenden en bij dat planeetvoorbeeld heb je er maar achttien.”
Hassan Hemida van de Chalmers-universiteit in Zweden presenteerde in een sessie zijn studie naar de effecten die zijwind op een hogesnelheidstrein hebben. Aan de vrolijke plaatjes die hij toonde, gingen vier maanden noeste arbeid vooraf. We moeten nederig blijven. Computersimulatie is niet alleen leuk en nuttig, maar ook hard werken: vaak taai en saai. Maar computersimulatie is ook niet meer weg te denken, alle onvoorspelbare dynamiek en chaostheorieën ten spijt.
Zonder simulatie geen luchtvaart meer, stelt Piet Wesseling.
Supercomputer-gegenereerde simulatie van de luchtstromen rond een Harrier-straaljager die boven de grond balanceert. De kleuren geven de temperaturen weer, van rood (warm) naar diepblauw (koud). Dergelijke ‘fotogenieke’ numerieke simulaties zijn in de dagelijkse onderzoekswerkelijkheid overigens uiterst zeldzaam. (Foto: Nasa Ames Research Centre/Science Photo Library)
Volgens Kees Vuik is de numerieke benadering zo ver ontwikkeld, dat zij naast de theoretische en de toegepaste tak de derde pijler onder veel vakgebieden is geworden.
 FPRIVATE Eccomas CFD 2006 Eccomas Eccomas (European Community on Computational Methods in Applied Sciences) is in 1993 opgericht als een bundeling van nationale associaties; Nederland is vertegenwoordigd door het Netherlands Mechanics Committee waartoe ook het Delftse J.M. Burgerscentrum behoort. Elke vier jaar is er een Eccomas-congres. Het eerste werd, merkwaardigerwijs, al in 1992 in Brussel gehouden, het laatste in 2004. Daarnaast zijn er Eccomas-conferenties die opgesplitst zijn in twee deelgebieden. De Eccomas-conferentie in Egmond, de vierde in de reeks, was vooral gewijd aan stromingsleer. De conferentie werd ge‹nitieerd en ge‹nspireerd door Delftenaar prof.dr.ir. Piet Wesseling. Eerder dit jaar werd er in Lissabon een conferentie gehouden die zich vooral bezighield met werktuigbouwkundige toepassingen, maar de toepassingsgebieden vloeien steeds meer in elkaar over. Het laatste Eccomas-congres in het Finse Jyv„lskyl„ werd bijgewoond door elfhonderd bezoekers. In Egmond waren dat er ruim vijfhonderd. Bron: website TU Delft


Snurken is bespreekbaar en komt vaak voor

april 4, 2007

Snurken komt vaak voor en is bespreekbaar.
 
MAASTRICHT – Vier op de vijf mensen snurken zelf of hebben partners die het bekende zagende keelgeluid maken. Tweederde van hen vindt dat heel vervelend, maar de meeste Nederlanders durven er wel over te praten. 91 procent zegt snurken gemakkelijk aan de orde te stellen.
Dat blijkt uit een onderzoek van Flycatcher Internet Research, dat is voortgekomen uit de Universiteit Maastricht. Aan de studie werkten 1136 Nederlandse mannen en vrouwen boven 40 jaar mee.

41 procent van de ondervraagden beschouwt snurken niet als een ernstig probleem, maar toch klagen velen over gezondheidsklachten als abnormale vermoeidheid, een depressief gevoel en relatieproblemen. Bijna tweevijfde van de ondervraagden zegt dat ze zelf, hun partner of beiden wel eens even stoppen met ademen of last hebben van een haperende ademhaling tijdens de slaap.

De onderzoekers gingen na hoeveel mensen lijden aan het obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), waarvan snurken een van de symptomen is. Bijna tweederde van de ondervraagden heeft nog nooit van deze ernstige kwaal gehoord, maar 28 procent zegt zelf eraan te lijden of iemand te kennen die hem heeft. OSAS, veroorzaakt door een afsluiting (obstructie) van de ademweg, kan leiden tot bijvoorbeeld een hoge bloeddruk. Bovendien is uit onderzoek bekend dat mensen met OSAS een veel grotere kans op een verkeersongeluk hebben dan mensen zonder die ziekte.

Tweederde van de ondervraagden met de ziekte heeft de huisarts er niet over geconsulteerd en 60 procent heeft zelf geen maatregelen genomen. Wordt hun echter informatie over de ziekte verstrekt, stijgt het aantal mensen dat geneigd is informatie te zoeken of naar de huisarts te gaan aanzienlijk. 

(Bron: Telegraaf 031006)